of:
home
zoeken
spoorkaart
spoorlijnen
tijdlijn
typen stations
reisplanner
nieuws
agenda
te koop
bronnen
links
literatuur
FAQ
contact
gastenboek
inloggen
overig
© disclaimer
Terug naar literatuuroverzicht

Stationsarchitectuur in België Deel I, 1835-1914 - Hugo de Bot
Turnhout: Brepols, 2002
ISBN: 90 5622 048 9

Standaardwerk voor de Belgische stationsliefhebber ook voor Nederlanders een must

Waren in Nederland al lagere tijd geleden standaardwerken verschenen over stationsarchitectuur (de beroemde werken van Romers (1980) en Douma (1998) geven een goed beeld van de stationsgebouwen die in de loop der jaren in Nederland zijn gebouwd. Onze zuiderburen moesten zoiets tot nu toe missen. Tot nu toe, want het recentelijk verschenen boek van Hugo de Bot is de eerste van twee publicaties waarin het volledige bestand van stationsgebouwen beschreven en waar mogelijk afgebeeld wordt. Het hier behandelde boek beschrijft de stations die zijn gebouwd tussen 1835, de opening van de eerste spoorlijn op Belgisch grondgebied, en daarmee het Europese continent, en 1914, het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, die in België, in tegenstelling tot Nederland verschillende desastrueuze gevolgen had voor stationsgebouwen en emplacementen.

Wat staat erin?

Het boek bevat een levendige beschrijving van alle Belgische stationsgebouwen, in de genoemde periode. Alle typen stations zijn afgebeeld, en vaak worden ook stations van enzelfde type toch allemaal getoond. Er zijn hierop een paar uitzonderingen uit praktische overwegingen. Een bepaald stationstype is 117 maal herhaald en een ander 150 maal. Deze zijn niet allen opgenomen. Van deze stations is aan de hand van schematische tekeningen toch aangegeven hoe zij eruit zagen.

Ondanks deze beperking bevat het boek meer dan 800 afbeeldingen. Dit betreft overwegen oude ansichtkaarten. Een enkele keer, wanneer er geen oansicht gevonden is neemt de auteur zij ntoevlucht tot recent materiaal, gezien de soms aanwezige auto's op de foto. Echter dit verschil is niet opvallend aanwezig. Dit toont al de rijkheid van de Belgische spoorwegarchitectuur. Het land kent enkele nadelen. De grootste moeilijkheid voor de auteur was wel de tweetaligheid. Voor de beschrijving van de namen van de maatschappij heeft de auteur de officiële (meest Franstalige) naam aangehouden, voor de stationsnamen de Vlaamse. Er is een lijst met vertalingen toegevoegd.

Verschillen in spoorwegarchitectuur

In België is de spoorwegaanleg vanaf het begin een staatsaangelegenheid geweest. De eerste stationsgebouwen betroffen dan ook van staatswege gebouwde bouwwerken. opvallend in het eerste deel is de enorme verscheidenheid aan bouwstijlen die hiervoor gebruikt is. Zo werden er veel trapgevelstations, eclectische stations en neogotische stations gebouwd. Bouwstijlen die in Nederland toch minder vaak werden gebruikt in de stationsarchitectuur.

Een groot opvallend verschil is het Belgische principe alles asymmetrisch, tenzij... In Nederland werd in de regel symmetrisch gebouwd en in slechts hoge uitzondering asymmetrisch. Een van de bekendste Belgische stationsvarianten is het staatsmodel 1873 (ook herhaald in 1881 en 1895, die slechts op enkele punten afweken). Het hoge gebouw met verdieping van drie/vier muuropeningen lang en daarnaast een (even lang) laag gebouw, beide meestal uitgevoerd met een zadeldak parallel aan de spoorbaan zal iedereen direct als Belgisch herkennen. Deze bouwvorm is dan ook (in drie varianten) ongeveer 450 keer herhaald.

Verschillende stations die in dit boek worden beschreven hebben ook in Nederland gestaan. Zo zijn er varianten te vinden op het eerste station van Roosendaal en de stations in Zevenbergen en Oudenbosch (door de Anvers à Rotterdam) en blijken de equivalenten van het eerste station van Weert en Baexem-Heythuysen etc. nog volop aanwezig in België.

Voor- en nadelen ten opzichte van Romers/ Douma

Een vergelijking met de Nederlandse boeken lijkt me op zijn plaats. De beide Nederlandse boeken zijn ongeveer volgens een gelijk concept geschreven. De boeken lezen niet lekker, maar zijn meer schematisch als een soort encyclopedie opgesteld. In het nieuwe boek van Hugo de Bot is het boek eerder te lezen als een, roman is misschien wel te overdreven, maar toch wel een verhalenbundel. Stations worden niet schematisch behandeld. Er staat geen kopje boven een alinea met de naam van het station. Gevolg hiervan is dat het boek gewoon lekker leest. Nadeel is dat het gebruik als encyclopedie hierdoor bemoeilijkt wordt.

Maakten de Nederlandse boeken gebruik van de archieven van de Spoorwegmaatschappijen om de informatie voor hun werk te verzamelen, de Belgische auteur heeft slechts zijn (en die van anderen) verzameling ansichtkaarten gebruikt om de stationsgebouwen te beschrijven. Daardoor staat er naar mijn weten een beetje te vaak dat iets niet bekend is. Een zinsnede die in de Nederlandse boeken nagenoeg niet voorkomt.

Wat een goede toevoeging is in dit boek die node wordt gemist in de Nederlandse equivalent is de vermelding of een gebouw nog bestaat, of wanneer het is afgebroken. De reden dat dit door Romers niet is toegevoegd is dat dit variabel is. Op het moment dat een gebouw wordt afgebroken is het boek niet meer up-to-date. Daar is wel veel voor te zeggen, maar het is wel gemakkelijk dat het hier wel gebeurd is.

Conclusie

Al met al een heel prettig boek dat een goed beeld geeft van de ontwikkeling van de Belgische stationsarchitectuur. Hoewel ik een leek was op Belgisch gebied heb ik het met veel plezier gelezen en verwonderde me over de overeenkomsten en verschillen met Nederlandse stations. Zeker een aanrader dit boek, en we kijken met spanning uit naar deel 2.

Meer informatie over dit boek is te vinden op de site van de uitgever Brepols.

Een beschrijving van het boek door de uitgever vindt u op deze pagina