of:
home
zoeken
spoorkaart
spoorlijnen
tijdlijn
typen stations
reisplanner
nieuws
agenda
te koop
bronnen
links
literatuur
FAQ
contact
gastenboek
inloggen
overig
© disclaimer

Rechtzaken. HET STATION VEENENBURG.

Het nieuws van den dag - 19 nov 1900

Heden diende voor de Civiele Kamer van het Gerechtshof alhier, in hooger beroep de zaak Leembrughen contra de Holl. IJz. Spoorwegmaatsohappij, en deze tegen den Staat der Nederlanden, in vrijwaring, betreffende de opheffing van het station Veenenburg.

Gelijk bekend is had bij den aanleg van de lijn in 1842 de Holl. Spoor een gedeelte van het buiten van den Heer Leembruggen noodig. Deze, wiens goed zou verbrokkeld worden, verlangde geen geldelijke vergoeding, maar de belofte dat altijd te Veenenburg een statiou zou zijn en dat de treinen aldaar zouden stilhouden op den voet van de meest begunstigde stations. Bij contract verbond de maatschappij zich daartoe. De Holl. Spoor echter hief in 1996 het station Veenenburg op, hoewel in het geschil dat daarover hangende was geweest, een arbitrale uitspraak de erven Leembruggen in het gelijk had gesteld. De maatschappij beriep zich in 1896 op overmaoht. De Minister vau Waterstaat n.l. had de opheffing bevolen en daardoor was zij — naar ze beweerde — verhinderd geworden haar verbintenis na te komen.

De Rechtbank plaatste zioh op hetzelfde standpunt en stelde erven Leembruggen in het ongelijk. Van daar het hooger beroep. Ook thans weder trad Mr. O. W. Sipkes voor eischers op. Hij betoogde dat de beweerde bevoegdheid van den Minister om stations op te heffen dezen nergens u de wet is toegekend (de minister hondt slechts politie toezicht op de spoorwegen) en alzoo was de maatschappij niet verplicht geweest de onbevoegd gedane lastgeving op te volgen. Maar zoo betuigde hij verder de maatschappg heeft met den minister één lijn getrokken. Waar de Minister in het belang van een eventueele naasting van de Holl. Spoor niet wilde gebonden zgn door privaat-rechtelijke aanspraken daar wilde, om redenen aan hare exploitatie ontleend, de maatschappg ook de handen wel vrij hebben. En zo werd in den naoht van 30 Sept. op 1 Oct. 1896 de comedie vertoond, dat het station Veenenburg met behulp van Rijksveld wachters gewelddadig werd gesloten ... onder hevig protest van den in dienst der Maatschappij optredenden stationchef!

Er was dus bij den Minister willekeur en, waar nu de maatschappij zich beroept op de bepaling in het contract dat dit, tengevolge van „onvoorziene omstandigheden" niet meer kunnende worden ten uitvoer gelegd, zij, de maatachappij, een boete van ƒ5000 zal hebben te betalen (tot welke betaling de maatschappij zioh bereid verklaarde) daar merkt pl. op dat in de desbetreffende bepaling wel degelijk voorkomt de uitdrukking „van verplichte opheffing" een verplichting, die, gelijk hij betoogde niet bestond. Zelfs, al ware de Mms. bevoegd geweest stations op te heffen die nog van die bevoegdheid in dit geval zijn afgestuit op het van de spoorwegwet van 1859 interieur verkregen recht van den Heer Leenbruggen, gelijk reeds door den Hoogen Raad is beslist.

Na bespreking van de subsidiaire vordering tot schadevergoeding (ƒ 25 per dag zoo lang het station niet is verbouwd) voor geval de primaire vordering (herbouw) niet wordt toegewezen, zette pl. uiteen welk groot financieel belang het station voor de geheele possessie Veenenburg heeft en in de toekomst zal krijgen. Hij eindigde echter met te herhalen dat geldelijk voordeel niet werd beoogd door eisschers maar herstel van een door willekeur geschonden reoht. (Dit stuk is ongecorrigeerd.)

Gekoppelde stations

Veenenburg